Euphorbia globosa behoort tot een groepje van zes dwergvormige
Euphorbia’s uit Zuid Afrika, die alle zes zeer typische
en unieke kenmerken binnen het geslacht Euphorbia bezitten. De
vegetatieve delen bestaan bij alle zes soorten uit groene kogeltjes,
die vooral in cultuur wat langgerekt kunnen worden en hebben cyathia
voorzien van honingklieren met vingervormige aanhangsels, die
aan de bovenzijde witte wratjes en groefjes hebben. Haworth vond
deze kenmerken zo belangrijk dat hij besloot voor deze soort een
apart geslacht op te richten, waarmee ze de naam Dactylanthes
globosa kreeg, de vingerbloemige bolronde Euphorbia. Later bracht
Sims onze globosa toch weer onder bij Euphorbia.
Hoewel Euphorbia globosa niet als eerste van deze zes soorten
beschreven is, is ze wel het bekendst en het meest verspreid in
onze verzamelingen. Deze plant lijkt het meest op een pot vol
met groene pepernoten. De bloemstengels, die meestal gemakkelijk
en veel verschijnen, steken er ver bovenuit.
Een van de onhebbelijkheden van Euphorbia globosa is het feit
dat cultuurplanten zo sterk afwijken van natuurplanten. Niet alleen
worden cultuurplanten veel groter, ook de individuele stengelleden
blijven in cultuur niet kogelrond, maar nemen meer de vorm aan
van langgerekte stammetjes. En dit is nota bene het feit waaraan
deze soort haar naam dankt. Het etioleren van de stengelleden
zou onder de Nederlandse klimaatomstandigheden niet te voorkomen
zijn. De lichtintensiteit is hier natuurlijk veel lager dan in
Zuid Afrika. Eigen observatie in de natuur maakte echter duidelijk
dat ze ook op haar natuurlijke groeiplaatsen langgerekte stengelleden
maakt. Ook hadden meerdere planten verdroogde stengelleden, hetgeen
planten kleiner houdt natuurlijk. Euphorbia globosa is buitengewoon
gemakkelijk te vermeerderen. Als U enkele stengelleden afbreekt,
deze een paar dagen te laat drogen op een droge en schaduwrijke
plaats en deze daarna oppot zullen ze snel bewortelen.
Er is een groot aantal Euphorbia’s die alleen vanuit zaad
in hun natuurlijke vorm uitgroeien. Een stek maakt namelijk geen
nieuwe hoofdspruit. Voorbeelden hiervan zijn de Medusa’s,
zoals E. inermis en knolvormige soorten, zoals E. stellata. Na
vernomen te hebben dat ook E. globosa een forse bietvormige knol
maakt in de natuur en gezien het feit dat mijn uit stek vermeerderde
planten alleen wat verdikte wortels hadden, was het besluit snel
genomen om enkele E. globosa’s met elkaar te bestuiven en
zaden te winnen. Het geeft nu eenmaal extra voldoening om planten
te kweken die er zo natuurlijk mogelijk uitzien.
De aldus geproduceerde zaailingen vormden inderdaad prachtige
plantjes met mooie bolvormige stengelleden. Helaas groeiden er
later weer de langwerpige geetioleerde stengelleden aan. De zaailingen
zagen er precies zo uit als de afbeelding in White, Dyer &
Sloane, Plate XII. De in de natuur verzamelde plant laat een bietvormige
hoofdwortel zien met daaraan enkele rolronde stengelleden en vervolgens
langwerpige stengelleden, die vaak bloemstelen dragen. Het zou
goed kunnen dat in de natuur de langwerpige stengelleden in de
droge tijd verdrogen. Ik heb mijn zaailingen in hangpotten opgepot
en gedurende twee jaar slechts een maal per jaar iets water gegeven.
Hoewel de planten zeer sterk verschrompelden en er wel enkele
stengelleden verdroogden, bleef veruit het grootste gedeelte van
de plant in leven. Ze zijn bij wijze van spreken niet dood te
krijgen. De snoeischaar heeft uitkomst gebracht en de plantjes
zien er nu heel natuurlijk uit met mooie ronde bolletjes. En niet
in de laatste plaats, bij het verpotten hadden enkele zaailingen
een mooie dikke bietvormige wortel, echter bij sommige zaailingen
waren alleen draadvormige wortels aanwezig, net zoals bij een
stek.
Een opvallend verschijnsel is ook de variatie van de lengte van
de bloemstelen die soms zeer kort zijn, minder dan een centimeter
en die soms wel meer dan 20 centimeter bedraagt, zelfs aan één
en dezelfde plant. Aan de langere bloemstelen worden soms nieuwe
vegetatieve stengelleden gevormd die na verloop van tijd door
hun gewicht op de grond zakken, nieuwe wortels maken en een nieuwe
plant vormen.
E. globosa komt voor in de Oostelijke Kaapprovincie en altijd
binnen 20 kilometer afstand van de kust. Wij vonden E. globosa
in de omgeving van Port Elizabeth en nabij Addo. Nabij Port Elizabeth
groeit E. globosa in een omgeving met een zeer rijke succulente
flora. Op geen enkele andere vindplaats troffen wij zeven verschillende
soorten bij elkaar groeiend op één plaats. Naast
Euphorbia globosa, die wij pas na langere tijd zoeken konden lokaliseren,
vonden wij in de onmiddellijke omgeving E. gorgonis, E. stelllata,
E. silenifolia, E. polygona E. pubiglans en E. mauretanica. Verder
troffen wij Pelargonium lobatum, P. spec., Microloma tenuifolium,
Pachycarpus grandiflorus, Aloe lineata, Haworthia fasciata, een
prachtige terrestrische orchidee en enkele soorten Mesems.
Bij de bespreking van deze soort vermelden White, Dyer & Sloane
over het voorkomen van E. globosa; ‘ abundant in the karroid
scrub between Uitenhage and Port Elizabeth, sometimes forming
uniform mats of the dwarf branche-tips in such masses that is
difficult for the passer-by not to tread on them.’ Gerhard
Marx spreekt heden ten dage van ‘quite rare’ en in
een editorial van Aloe, het Zuid Afrikaanse vetplantentijdschrift,
word zelfs gesproken over een nagenoege onmogelijkheid om deze
soort in de natuur te vinden. Hoewel zeer goed verscholen is E.
globosa naar onze ervaring nog wel degelijk te vinden in de natuur.
Toch kent deze soort in de laatste 50 jaar, op basis van de ons
beschikbare gegevens, een schrikbarende achteruitgang. De oorzaken
hiervan zouden onderzocht moeten worden en wellicht dat dit onderzoek
kan leiden tot het veiligstellen van haar voorkomen in de natuur.
Hoewel Euphorbia globosa al in 1823 als Dactylanthus globosa
door Haworth is beschreven, en in 1826 door Sims in het geslacht
Euphorbia werd geplaatst, is zij niet de oudste Euphorbia in het
groepje Euphorbia’s met de vogelpootjes-achtige bloemen.
Deze eer valt E. tridentata Lamarck te beurt, welke al in 1786
werd beschreven. Linnaeus vermeldde ze zelfs al in 1753. De informatie
over wie deze soort heeft ontdekt en hoe ze in Europa is gekomen
is verloren gegaan, waarschijnlijk omdat dit alzo vroeg in de
achttiende eeuw heeft plaatsgevonden.
Hoewel Euphorbia tridentata in de natuur bijzonder veel lijkt
op E. globosa en E. ornithopus, is ze goed te onderscheiden door
de wijze waarop de bloemstelen op de planten verschijnen. De bloemsteel
groeit namelijk eindstandig op een stengellid en is zeer kort
of zelfs geheel afwezig en staat alleen. Deze korte bloemstelen
zijn in tegenstelling met de lengte van de stengelleden in cultuur.
Mijn planten vertonen nog de meeste overkomst met een Stapelia
met liggende stammetjes. Geen enkel stengellid ziet er ook maar
min of meer bolvormig uit, zoals dat in de natuur gebruikelijk
is. Verder is het bloeien in cultuur een zeldzaamheid, tenminste
bij mij, dus ik ben nog niet in de gelegenheid geweest om zaailingen
van deze soort te kweken.
Euphorbia tridentata groeit ten noorden van Grahamstown in kleine
en geïsoleerde kolonies. Een paar honderd kilometer meer
naar het westen zou ze ook groeien in de omgeving van Steytlerville.
De derde soort is Euphorbia ornithopus, wat zoveel betekend als
“vogelpoot Euphorbia”, en werd in 1809 beschreven
door Jacquin. Naast de grote overeenkomsten in de groeivorm wijkt
ook zij in de bloeiwijze af van de beide voornoemde soorten. E.
ornithopus maakt een bloeiwijze die ook eindstandig aan een stengellid
groeit en bestaat meestal uit drie cyathia. Het verschil bestaat
uit het aantal honingklieren die per cyathium gevormd word. E.
ornithopus heeft er normaal 4, soms 5, terwijl E. tridentata er
normaal 5 heeft en soms zelfs 6. Volgens White, Dyer & Sloane
is het significante verschil dat in die gevallen dat E. ornithopus
een cyathium ontwikkeld met 5 honingklieren deze altijd alleen
mannelijke bloemen heeft en wanneer er zoals gewoonlijk 4 honingklieren
ontwikkeld zijn, dit cyathium zowel mannelijk als vrouwelijk is.
Zowel E. ornithopus alsook E. tridentata maken ondergrondse uitlopers.
Een enkele plant kan zo een oppervlakte van wel enkele vierkante
meters beslaan. Het lijkt wel alsof Zwarte Piet een handvol groene
pepernoten heeft gestrooid.
Euphorbia ornithopus groeit ten noorden van Grahamstown, wij vonden
haar daar tezamen met E. melormis en E. cumulata. White, Dyer
and Sloane vermelden ook de omgeving van Cradock als haar natuurlijke
standplaats. Ook daar vonden wij dergelijke planten in gezelschap
van E. micracantha. Deze planten hebben 5 honingklieren en een
eindstandig cyatium per stegellid. Hoewel het plantenlichaam wat
afwijkend is, lijken deze planten echter tot E. tridentata te
behoren.
De vierde en tevens de laatste uit de Oostelijke Kaapprovincie
is Euphorbia polycephala werd pas in 1931 is beschreven door Marloth.
Deze Euphorbia is veruit de grootste van de genoemde soorten en
het is verwonderlijk dat een klein en moeilijk te vinden plantje
als E. tridentata al 200 jaar eerder bekend was en een grote kussenvormende
soort als E. polycephala zo lang moest wachten op haar botanische
ontdekking. Deze plant werd door de boeren gebruikt als veevoeder
is droge tijden, hoewel ze niet smakelijk is en buikklachten tot
gevolg heeft. Waarschijnlijk is deze geschiktheid als veevoeder
de reden voor haar huidige zeldzaamheid. In recente succulentenliteratuur
zijn vele artikelen te vinden die Euphorbia polycephala als onderwerp
hebben. Allen maken melding over haar zeldzaamheid en haar bedreigd
voortbestaan in de natuur.
Wij waren dan ook buitengewoon fortuinlijk een gezonde kolonie
aan te treffen ten westen van Cradock. Deze kolonie bestond uit
ongeveer 25 planten, die allen in zeer goede conditie leken te
zijn. Bovendien bloeiden de meeste planten en droegen vele planten
zaadbessen. Dit in tegenstelling tot de situatie die in genoemde
literatuur wordt geschetst, waarin sprake is van een sterke afname
van het aantal planten, vooral door diervraat. Helaas konden wij
geen jonge planten vinden in deze kolonie.
In dezelfde publicatie van 1931 waarin E. polycephala werd beschreven,
is tevens een zeer nauw verwante soort beschreven, namelijk Euphorbia
wilmaniae, de vijfde van de beloofde zes soorten. Hoewel de overeenkomsten
tussen beide soorten groot is liggen de natuurlijk groeiplaatsen
bijna aan de andere kant van Zuid Afrika, namelijk in Griqualand
West, zo’n 500 kilometer ten noorden van Port Elizabeth.
Verbazingwekkend genoeg bestaat er nog een tweede verspreidingsgebied
van deze soort, maar dan meer dan 500 kilometer naar het westen
in het Richtersveld. Deze totaal verschillende vindplaatsen met
geheel andere klimaatsfactoren kunnen volgens mij moeilijk een
en dezelfde soort huisvesten. Het zou buitengewoon interessant
zijn om van beide vindplaatsen deze planten eens naast elkaar
te kweken en te vergelijken.
Zelf bezit ik pas sinds kort een stekje van deze soort maar ik
weet haar herkomst (nog) niet. Ze schijnt eenvoudig te kweken
te zijn.
De laatste soort om het zestal compleet te maken in de sectie
Dactylanthes is Euphorbia planiceps. Ook deze soort komt uit Griqualand
West en is zeer nauw verwant met E. wilmanae. Slechts haar groeivorm,
een dikke penwortel met een platte kop van vele stengelleden tot
maximaal een doorsnee van 30 centimeter, terwijl E. wilmanae meer
een losse zede vormt. Ernst Specks heeft vorig jaar zaailingen
in omloop gebracht, waarvan ik er twee heb weten te bemachtigen.
Het lijken zeer interessante plantjes, die wat de groeivorm betreft,
erg veel op een vingerpol lijken.
Al deze zes soorten zijn dus momenteel vertegenwoordigd in cultuur
en ze zijn niet al te moeilijk om te kweken. Om planten te kweken
met een zo natuurlijk mogelijk uiterlijk, kweek ik ze boven in
de nok van de kas naast de Ariocarpussen. Daar staan ze ook in
de winter, want ze zijn niet erg koudegevoelig. Ze krijgen spaarzaam
water en op deze wijze groeien ze niet erg hard en lijken de meeste
soorten tenminste nog enigszins op natuurplanten. Euphorbia globosa
en E. ornithopus zullen bovendien veelvuldig hun bloemen laten
zien en zoals gezegd, probeer het eens met zaailingen. Deze planten
zullen, mits hard gekweekt, er veel natuurlijker uitzien.
Literatuur:
- Court Doreen, (1988), Euphorbia polycephala at Cranemere, The
Euphorbia Journal, Vol. 5, page 39 – 42.
- Marx Gerhard, (1992), The Succulent Euphorbias of the Southeastern
Cape Province, Part 1, The Euphorbia Journal, Vol. 8, page 74
– 102.
- N. n., (1985), Identifying features, continued, The Euphorbia
Journal, Vol. 3, page 76.
- Pritchard Daphne, (1996), Euphorbia polycephala, a Rare and
Endangered Plant, The Euphorbiaceae Study Group Bulletin, Vol.
9, No. 1, page 14 – 19.
- Pritchard Daphne, (1996), Rooikop Revisited, The Euphorbiceae
Study Group Bulletin, Vol. 9, No. 2, page 68.
- Pritchard Daphne and Albert, (1997), Further Notes on Euphorbia
polycephala, The Euphorbiaceae Study Group Bulletin, Vol. 10,
No. 3, page 83 – 86.
- Pritchard Daphne and Albert, (1998), A Survey of the Habitats
of Euphorbia polycephala, British Cactus and Succulent Journal,
Vol. 16, No. 4, page 190 – 192.
- White A., Dyer R. A., Sloane B. L., (1941), The Succulent Euphorbiae
(Southern Africa), 2 Vols.
Fotos Jaap Keijzer.
117. Goed verborgen en goed aan de groei. Euphorbia globosa, noordwestelijk
van Port Elizabeth.
118. Schoonheid in miniatuur, E. globosa in bloei.
165. Euphorbia tridentata westelijk van Mortimer in volle bloei.
164. In vergelijking zijn de zaadbessen van Euphorbia tridentata
erg groot.
75. Euphorbia ornithopus, 20 kilometer noordelijk van Grahamstown
langs de weg naar Bedford.
172. De groeiplaats van Euphorbia polycephala is boven op een
heuvel, blootgesteld aan weer en wind.
173. Euphorbia polycephala groeiend op een harde ondergrond, waardoor
de plant meer bovengronds groeit.
176. Op dezelfde groeiplaats groeien ook planten teruggetrokken
in de grond.
177. Planten bloeien niet overdadig, maar wel langdurig, gezien
het feit dat er ook zaadbessen aanwezig zijn.