“Happiness is a state of Euphorbia” staat er op de
toegangsdeur van de kas van Jaap Keijzer. Ik moet echter toegeven
dat dit echter de halve waarheid is. Soms zijn er echter ook diepe
dalen als het restant van je duur gekochte plantjes na heel wat
gemartel in de vuilnisbak verdwijnen. Zonder deze dalen zouden
er echter ook geen bergen zijn.
Zoals alle liefhebbers heb ik ook zo nu en dan enige euforie
nodig om het plezier in het kweken en vermeerderen van Succulenten
te behouden. Het verleggen van de grenzen in je hobby is nodig
om de interesse vast te houden. Was ik als beginnend liefhebber
jaren terug in de weer op een willekeurige cactusbeurs met een
bak vol planten, nu is het vaak niet meer dan één
enkele plant. Thuis gekomen met deze bakken vol succulenten van
vele diverse geslachten gaf het succesvol verder kweken van deze
planten grote voldoening. Het duurde niet lang voordat elke spruit
die verscheen gestekt moest worden en zaaien was de volgende logische
stap. Het verkrijgen van een breder assortiment, vaak van die
geslachten waar je succesvol mee bent, leidt tot specialisatie
en het onderhouden en uitbreiden van een dergelijke gespecialiseerde
verzameling is voor velen van ons een doel op zich en houdt ons
jaren van de straat.
Het zoeken en vinden van onze troetelkinderen in hun natuurlijke
omgeving is niet voor iedereen weggelegd, maar geeft een geheel
nieuwe dimensie aan de liefhebberij. Ik kan U vertellen dat het
een enorme kick geeft als je na een soort jacht je doel bereikt
hebt en de prooi is vastgelegd met de camera.
Waar ik echter in dit artikel naar toe wil is naar de ultieme
uitdaging voor de gespecialiseerde Euphorbialiefhebber, het kweken
en succesvol zaaien van de groep soorten rond Euphorbia horwoodii
uit de hoorn van Afrika. Deze groep planten is zeer geliefd bij
de gespecialiseerde liefhebber door de bijzonder gespecialiseerde
en mooie groeivormen, wispelturigheid in de cultuur en vermeende
zeldzaamheid.
Euphorbia horwoodii.
De genoemde E. horwoodii is eigenlijk alleen bekend als geënte
plant en dan alleen in de volwassen vorm. Deze plant maakt echter
een zeer interessante ontwikkeling door van zaailing naar volwassen
plant. Ze vormt als zaailing namelijk eerst een bolvormige plant,
vergelijkbaar met E. piscidermis, E. turbiniformis, maar ook met
de niet nauw verwante E. obesa en E. symmetrica uit Zuid Afrika.
Echter daar waar deze soorten bolvormig blijven, vormt E. horwoodii
op latere leeftijd bedoornde zijtakken. Tom Jenkins spreekt in
zijn artikel over E. horwoodii heel terecht over de twee gezichten
die deze soort heeft.
Deze zijtakken worden in de cultuur middels enten vermeerderd
en zijn momenteel redelijk eenvoudig te verkrijgen. Hoewel de
bolvormige jeugdvorm van E. horwoodii zeer tot de verbeelding
spreekt zijn ook geënte planten bijzonder fraai. Ze vormen
na verloop van tijd onregelmatig vertakte struikjes met fraai
getekende stammen. Bovendien zijn er verschillende vormen in omloop
die behoorlijk van elkaar kunnen verschillen. Zo heeft B&L589
dunnere takjes met groenere tekening en iets gekromde doorns.
Erg mooi vind ik persoonlijk een vrijwel geheel grijze vorm.
Het via zaad vermeerderen van E. horwoodii blijft echter de uitdaging
op zich. Bij een recent bezoek aan Jaap Keijzer toonde hij mij
de inmiddels éénjarige zaailingen van E. horwoodii.
Een meer dan verdienstelijke prestatie om deze zeer moeilijk te
zaaien en zeer kwetsbare zaailingen het eerste moeilijke jaar
door te krijgen.
Zoals de jeugdvorm van E. horwoodii hebben ook E. piscidermis,
E. turbiniformis en E. gymnocalycioides de meest optimale succulente
groeivorm, namelijk de bolvorm. Vele van u zullen gedacht hebben
dat de laatstgenoemde bolvormige planten niet nauw verwant zullen
zijn met E. horwoodii. Er zijn echter een aantal opvallende gemeenschappelijke
kenmerken, zoals de al besproken bolvormige jeugdvorm van E. horwoodii.
Maar ook de zaailingen zijn wat het uiterlijk betreft nauwelijks
uit elkaar te houden. Verder is zowel het zaad als de zaailing
zeer klein voor een Euphorbia. De lege zaadhuid blijft op het
kiemplantje zitten, maar ook zand en dergelijke kleeft aan het
plantje. Dit zou een hele goede bescherming kunnen zijn tegen
het extreme klimaat waar deze planten van nature groeien. De temperaturen
kunnen er erg hoog oplopen en bovendien schijnt het er altijd
te waaien. Het verwijderen van deze bescherming zou het einde
betekenen voor de zaailing. Jonge zaailingen van E. gymnocalycioides
en E. piscidermis maken eerst een tijdje kleine doorntjes, die
op latere leeftijd geheel verdwenen zijn. Ook de bloeiwijze en
vruchten vertonen opvallende overeenkomsten, dus is er mijns inziens
niet veel op tegen om ze in één verwante groep te
plaatsen.
Euphorbia piscidermis.
Was Euphorbia piscidermis enkele jaren terug nog een echte rariteit
waar je diep voor in de buidel moest tasten, nu is ze op vrijwel
elke beurs verkrijgbaar. Deze soort is massaal vermeerderd, niet
in de laatste plaats voor de handel. Na slechts enkele maanden
na het enten heeft men al een verkoopbare plant. Als men het groeipunt
van een geënte plant beschadigd vormt ze snel vele kopjes,
die elk opnieuw geënt kunnen worden. Ze is dan wel geen rariteit
meer, uniek is ze nog steeds. Een wit bolletje met een ingedeukte
kop, die geheel bedekt is met visschubben. Er is binnen het geslacht
Euphorbia geen enkele soort die er mee te verwarren is. Opvallend
genoeg lijkt juist een cactus uit Mexico nog het meeste op haar,
namelijk Pelecyphora strobiliformis.
Euphorbia piscidermis is in de zeventiger jaren gevonden in de
Ogaden Regio tussen Ethiopië en Somalië en beschreven
door Mike Gilbert.
Inmiddels hebben enkele liefhebbers in Nederland succes met het
zaaien van deze mooie soort en het is te hopen dat ook zaailingen
van E. piscidermis een gewonere verschijning wordt in onze verzamelingen.
Euphorbia turbiniformis.
Euphorbia turbiniformis is nog steeds zeer schaars in onze verzamelingen.
Alhoewel ze wel steeds vaker te koop wordt aangeboden is de aanschafprijs
vaak behoorlijk fors. Deze soort is al in 1936 door Chiovenda
beschreven in “Flora Somala’. Deze Italiaanse publicatie
was in de vergetelheid geraakt ondanks het feit dat het hier om
een spectaculaire soort gaat. In 1969 bezocht John Lavranos voor
de derde keer Somalië en maakte hij een tussenlanding in
Eil. De landing, slechts bedoelt om brandstof in te nemen, duurde
niet langer dan 10 minuten. Het zou het hoogtepunt van die reis
worden. Toen hij uit het vliegtuig stapte om even de benen te
strekken werd zijn aandacht getrokken door een bloeiende Ipomoea.
Bij deze knolvormende plant en op de landingsbaan vond John Lavranos
Euphorbia turbiniformis. Door tijdgebrek kon hij slechts een paar
exemplaren verzamelen, maar een jaar later werden er vele verzameld
en door de I.S.I. verspreid onder succulentenliefhebbers. Het
bleek echter dat ze bijna niet te kweken waren op eigen wortel
en vrijwel niemand had de moeite genomen ze te enten. In de negentiger
jaren van de vorige eeuw is ze met name door Oost-Europeanen naverzameld.
Nakweek van deze planten is nu verkrijgbaar bij enkele kwekerijen
en liefhebbers. Helaas moeten we constateren dat op de natuurlijke
vindplaats deze soort vrijwel geheel verdwenen is, terwijl in
het reisverslag van John Lavranos nog gesproken wordt over ‘abundantly’,
overvloedig, een droevig verhaal dus. Het is te hopen dat er nog
andere vindplaatsen zijn die (nog) niet ontdekt zijn. Je zou bijna
hopen dat dat ook maar zo blijft.
Alle soorten uit deze groep hebben de lastige bijkomstigheid
dat ze pas laat in het seizoen aan bloeien beginnen te denken.
Je hebt dus een mooi najaar nodig om de zaden goed te laten rijpen.
Maar bij een minder mooi najaar rijpen niet alleen de zaden slecht
af maar zijn deze planten ook behoorlijk gevoelig voor schimmel-
en bacterie-infecties op het moment dat de bloemsteeltjes verdrogen.
Dus het moment dat je denkt dat je eindelijk eens kan gaan proberen
om ze te zaaien, ben je ineens je oude planten kwijt.
Niet alleen Euphorbia piscidermis is makkelijker te verkrijgen,
nog een aantal soorten uit deze groep zijn ruimer voorhanden.
Ook Euphorbia sepulta, multiclava, columnaris, dasyacantha, inaequispina,
phillipsiae, phillipsioides, mitriformis en mosaica kan men bij
gespecialiseerde kwekers tegen komen. Van deze soorten zijn bovendien
bij diverse gespecialiseerde liefhebbers ook zaailingen te bewonderen.
Ook zijn deze soorten zeer interessant en heeft elke soort wel
iets bijzonders.
Zo groeien de zaailingen van Euphorbia sepulta uit tot een clustertje
van ronde kopjes die net boven de grond uitsteken. Qua groeivorm
lijkt ze nog het meest op E. susannae.
Euphorbia multiclava wordt vrijwel alleen in geënte vorm
gekweekt, toch is ze goed te stekken en ook het zaaien van deze
soort is goed mogelijk. Het meest bijzondere van deze soort is
echter dat de groeipunten zich dichotoom delen. Dit verschijnsel
kennen we ook bij Mammillaria, bij Euphorbia is echter bij mijn
weten geen enkele andere soort die dit ook doet. Een leuke waarneming
bij het zaaien van deze soort wil ik U niet onthouden. Geënte
planten van E. multiclava zijn allen zeer gelijkvormig in hun
uiterlijke kenmerken. Zaailingen vertonen echter een behoorlijke
variatie in aantal ribben, bedoorning en dikte van de stengels.
Euphorbia columnaris lijkt nog het meeste op een zuilvormige Cereus.
Rauh noemde in zijn boek ‘Die groBartige Welt der Sukkulenten’
deze soort de zeldzaamste soort Euphorbia in cultuur. Toen dit
boek geschreven werd waren er slechts drie klonen in cultuur.
Deze onvertakte zuilen met hun merkwaardige gebogen Y-vormige
doorns zijn ook in de natuur zeer zeldzaam. In cultuur hebben
de kwekers echter niet stil gezeten en is ze momenteel in ruime
mate beschikbaar voor de geïnteresseerde liefhebber. Planten
van 2 meter hoog, wat ze in de natuur kunnen bereiken, heb ik
echter nog nooit gezien.
Euphorbia prona.
Na deze zeer korte behandeling van de wat beter verkrijgbare soorten
wil ik bij enkele zeer moeilijk te verkrijgbare soorten wat langer
stilstaan. Euphorbia prona, die ook in omloop is met als aanduiding
E. spec. Cape Guardafui, behoort tot de echte rariteiten op dit
moment. Deze soort maakt veel bloemstengels, die zelf ook weer
vertakken. Na verloop van tijd zitten deze groeisels als gezwellen
op de stammetjes. Bloeien doen ze echter zelden en ook vertakken
doen ze spaarzaam. Deze combinatie maakt het dat ze in cultuur
voorlopig wel zeldzaam zal blijven.
In een ultieme poging deze soort te vermeerderen hebben we stukken
van deze doorgroeiende bloemstengels geënt op E. canariensis
en inderdaad na meer dan een jaar groeiden er toch ineens spruiten
met doorns aan de geënte bloemstelen. Als een soort signaal
vertakten toen, zij het spaarzaam, ook enkele normaal geënte
planten.
Euphorbia ponderosa.
Euphorbia ponderosa is met haar dikke grijze takken een bijzonder
mooie soort. De zaailingen zijn voorzien van een fraaie tekening
en dragen een vrij dichte dunne bedoorning. Na deze jeugdvorm
maken ze echter korte dikke witte doorns.
Euphorbia atrox.
Euphorbia atrox maakt zeer dicht vertakte struikjes, die de grootte
van een voetbal kunnen bereiken. De stammetjes zijn opvallend
helder groen, maar vormen vrij snel bruine vlekken als ze niet
op een voldoende lichte plaats staan. Ze zijn nogal gevoelig en
oude planten zijn een echte zeldzaamheid, laat staan op eigen
wortel.
Euphorbia eilensis.
Opvallend kleine dicht-vertakte struikjes maakt Euphorbia eilensis,
die slechts bekend is van één enkele vindplaats.
Zelfs geënt heeft deze plant echt kuren en bij de minste
onregelmatigheid in de cultuur ben je weer een (deel van je) plant
kwijt.
Binnen het zo bijzonder veelvormige geslacht Euphorbia vertoont
zelfs een nauw verwante groep soorten rond Euphorbia horwoodii
bijzonder veel variatie en specifieke unieke kenmerken. Dat maakt
ze natuurlijk bijzonder interessant voor de liefhebber. Als deze
soorten daarbij ook zeer zeldzaam en lastig te kweken zijn, wordt
hun aantrekkelijkheid alleen maar groter. De voldoening is dan
nog groter wanneer je erin slaagt deze soorten succesvol te kweken
en te vermeerderen. En dat is wat onze hobby zo boeiend maakt.
Literatuur;
Carter, S. (1992), Some Unresolved Problems of Somali Euphorbia
Species, Coll. Bot. (Barc.) 21.
Carter, S. (1978), Succulent Euphorbias of Somalia – 3,
Cactus and Succulent Journal (U.S.), Vol. 50, bladzijde 25 –
29.
Chiovenda, E. (1936), Euphorbia (Meleuphorbia) turbiniformis Chiov.
Sp. Nova, Flora Somala, Vol. 3, bladzijde 304.
Gilbert, G. & Carter, S. (1984), A Cactus-like Euphorbia from
Ethiopia, Bradleya 2, bladzijde 9 – 14.
Jenkins, T. (1998), Two Faces of Euphorbia Horwoodii, British
Cactus and Succulent Journal, Vol. 16, bladzijde 221.
Lavranos, J. J. (1971), Notes on the Succulent Flora of North
East Africa and Southern Arabia, Cactus and Succulent Journal
(U.S.), Vol. 43, bladzijde 236 – 238.
Marx, G. (1990), Growing Mandelas, Cactus and Succulent Journal
(U.S.), Vol. 62, bladzijde 289 – 293.
Marx, G. (1992), Euphorbia horwoodii Carter & Lavranos, The
Euphorbia Study Group Bulletin, Vol. 1, bladzijde 23 – 26.
Trager, J. N. (1983), The Salvation of an Endangered Euphorbia,
Cactus and Succulent Journal (U.S.), Vol. 55, bladzijde 246.
The Euphorbia Journal, Vol. 1 – 10, diverse artikelen.
Foto’s gemaakt door Jaap Keijzer.
Foto 1, bloeiende geënte Euphorbia atrox. Het duurt jaren
voordat een plant deze omvang heeft bereikt.
Foto 2, een spruitende Euphorbia prona.
Foto 3, Euphorbia ponderosa met haar opvallende witte bedoorning.